Home Geological Research Bryozoa research


I have an extensive collection of bryozoa from the type area of the Maastrichtian. I plan to make a complete list of bryozoa known from the Maastricht area in the literature. Then I want to compare this with my private collection wich consists of at least 60 different species. Below you can find a database with the species from the literature and some photographs.


Bryozoa Database

Bryozoa pictures Maastricht

Artikel Bryozoa Algemeen voor Teylers Magazijn:

Herman Zevenberg & Jacob Leloux

In Teylers Museum bevindt zich een kleine, maar erg interessante collectie fossiele bryozoa uit de omgeving van Maastricht. Deze skeletjes van deze diertjes komen voor in gruislagen in de kalksteen van de St. Pietersberg en omgeving, en zijn meer dan 65 miljoen jaar oud. Ze zijn gevormd in een warme binnenzee waar ze op de zeebodem groeiden. Soms vind je zoveel skeletjes bij elkaar, dat ook wel van Bryozoënlagen wordt gesproken. Het bijzondere is dat de collectie in de jaren zeventig gedetermineerd is door de Duitse Professor Voigt, de absolute autoriteit op dit gebied.

De bryozoa, in Nederland ook wel bekend als mosdiertjes, zijn een vrij onbekende diergroep. De meeste mensen kennen ze misschien wel van het strand. (zie foto 1) Ze groeien vaak op mosselen als een soort fijnmazige netvormige korst (zie foto 2). Bryozoa komen vrij algemeen voor in zee en in zoet water, maar de meeste mensen zullen ze verwarren met koralen of sponzen.

Als je zo'n mossel met zo'n netwerkje erop van dichterbij bekijkt, zie je een verzameling kamertjes. In elk kamertje leeft een diertje. Alle diertjes in een kolonie werken samen en staan met elkaar in verbinding. Sommige nemen een speciale taak op zich zoals de verdediging, voedselzeven of reproductie. De diertjes kunnen zich ongeslachtelijk voortplanten door zich te delen en gewoon een nieuw kamertje aan de rand van de kolonie erbij te bouwen.

De diertjes zeven met tentakeltjes (soort vangnetje) voedsel uit het zeewater (zie foto 3). De mosdiertjes hechten zich soms vast aan schelpen, zee-egels of de zeebodem, maar er bestaan ook die vrij in het water zweven. Als ze zich vasthechten dan kunnen ze netwerken vormen of complete overkorstingen. Ook kunnen ze als takken of als waaiervormige netten vanaf de ondergrond opgroeien.

Mosdiertjes zijn, net als veel ongewervelde en kleine dieren lange tijd, en voor het grote publiek vaak nog steeds, onbekende en dus onbegrepen levensvormen. In de achttiende eeuw werden ze door Linnaeus met veel andere dieren onder de Zoophyten of Plantdieren gerekend. In het begin van de negentiende eeuw was men al nauwkeuriger en beschouwde ze als poliepen. Poliepen waren destijds diertjes met tentakeltjes die leefden in een kalk-, hoorn- of vlezig omhulsel. Het was de Blainville, die in 1820 ontdekte dat er onder de poliepen diertjes waren met een mond en een anus, terwijl er ook waren die maar één lichaamsopening hadden. Dit onderscheid leidde ertoe dat verschillende auteurs onafhankelijk van elkaar in de jaren erna namen aan de beide groepen gaven. Zo noemde Thompson in 1830 de poliepen met mond en anus Polyzoa, terwijl Ehrenberg in 1831 ze Bryozoa doopte. De beestjes met maar één opening noemde hij Anthozoa. Hiertoe rekenen we wat we tegenwoordig zeeanemonen en koralen noemen. De werken van Ehrenberg zijn beroemder geworden dan die van Thompson en dus is de naam Bryozoa meer ingeburgerd.

Verder onderscheid binnen de Bryozoa werd in het midden van de negentiende eeuw gemaakt, toen Nietsche in 1869 inzag dat de anus bij een deel van de mosdiertjes binnen de krans van tentakels zit (entoprocten), terwijl bij de rest het darmstelsel buiten die krans eindigt (ectoprocten). Dit verschil bleek zo erg van wezenlijk belang te zijn dat vanaf toen slechts de ectoprocten als ware mosdiertjes gezien worden.

De echte mosdiertjes, poliepvormige beestjes met mond en een anus, waarbij de laatste buiten de tentakelkrans uitkomt, zijn voorts onderverdeeld in een groep die in zee leeft en een groep die in zoetwater leeft. De zeemosdiertjes zijn vervolgens weer onderverdeeld op basis van de vorm van de maag.

Voor paleontologen is deze onderverdeling echter een ramp. De paleontoloog vind slechts het kalkomhulsel waarin de beestjes hebben geleefd. Geen tentakels, geen mond, geen anus, geen maag en de indicatie of de laag waarin de fossiele skeletjes in gevonden worden afgezet zijn in zoet dan wel in zout water berust vaak op interpretatie van een veldgeoloog. We gaan bij de fossielen in Limburg nog een stapje verder. Vaak is zelfs het skelet geheel of gedeeltelijk aangetast en overgroeid door calciet kristallen (zie foto 4). Dit alles stelt de onderzoeker die de verschillende vormpjes die bij deze skeletresten te zien zijn op grote problemen. Nu is van het Krijt in Limburg waarin de mosdier resten gevonden zijn bekend dat ze in zeewater gevormd zijn. In de zelfde lagen vinden we tal van zeedieren als koralen, zee-egels, zeesterren, zeeslakken, soms een mosasaurus, zeeschildpadden en nog meer. Op basis hiervan zouden we kunnen verwachten dat we de skeletjes met die der zeemosdiertjes moet gaan vergelijken.

Nu zijn de mosdiertjes uit Maastricht al ruim voordat de genoemde onderverdeling algemeen geaccepteerd was voorzien van namen. In 1826 had Goldfuss, die ook veel van de koralen uit Maastricht van naam voorzien had, veel vormpjes een naam gegeven. Hagenow, Pergens en Ubags waren in de tweede helft van de negentiende eeuw ook druk geweest namen aan vormpjes te geven. Dank zij deze mensen zijn er nu in de literatuur in totaal wel meer dan 200 verschillende vormen van naam voorzien. Discutabel is echter of al deze verschillende vormen van skeletjes ook echt verschillende diersoorten representeren. Je kan je voorstellen dat een grote boomvormige kolonie na afsterven in tal van verschillende stukjes uiteen valt. Nu zijn vaak de dikke ondertakken en de dunne kronkelige boventakken toto verschillende soorten gerekend. Kortom, de negentiende eeuw heeft veel voortgebracht qua mosdier onderzoek, maar de kwaliteit was op zijn zachtst gezegd twijfelachtig.


Het onderzoek aan de mosdiertjes uit Maastricht in de twintigste eeuw werd gedomineerd door Ehrhart Voigt, een onderzoeker uit Hamburg met een zeer lange staat van dienst, die een groot aantal publicaties het daglicht liet zien. hij concludeerde dat je de verschillende soorten uit elkaar moet kunnen houden op basis van de vorm van de gespecialiseerde kamertjes binnen een kolonie. En wel speciaal die kamertjes waarin poliepjes in leefden, die zich richtten op geslachtelijke reproductie. Dit zijn over het algemeen poliepjes die grotere kamers nodig hebben. Helaas zijn die vaak niet evenredig verdeeld over de kolonie. Dus veel van de brokstukjes die we in de gruislagen (zie foto 5) in Limburg vinden zijn waarschijnlijk gedoemd voor eeuwig naamloos te blijven of een aanvechtbare negentiende eeuwse benaming te krijgen.

Herman Zevenberg webmaster@fossiel.net
Jacob Leloux jx@fossiel.net

 

© webmaster@fossiel.net